Te duurde energie betekent minder banen, minder industrie en minder koopkracht. Europa moet van koers veranderen en inzetten op overvloedige, competitieve en koolstofarme energie om een economische grootmacht te blijven en haar transitie te doen slagen. Diversificatie, kernenergie, vereenvoudiging van de regels en energiesoevereiniteit zijn de sleutels tot een geloofwaardige strategie. Dit is de koers die wij verdedigen om onze economie te beschermen en de toekomst voor te bereiden.
1. Overvloedige en betaalbare energie: een prioriteit voor de MR en voor de herindustrialisering van Europa
De Europese Unie zal noch haar welvaart kunnen behouden, noch koolstofneutraliteit kunnen bereiken, noch haar soevereiniteit kunnen verdedigen zonder een grondige koerswijziging op energievlak. De energiekost is een grote handicap voor het concurrentievermogen geworden, zoals het Draghi-rapport bijna twee jaar geleden al benadrukte. Met de aanhoudende spanningen in het Oosten van Europa en het Midden-Oosten is deze handicap nog toegenomen: Europees gas blijft structureel duurder dan Amerikaans gas, olie blijft op hoge niveaus en de Europese elektriciteitsprijs weegt zwaarder op de industrie dan in andere grote geavanceerde economieën. Deze situatie versnelt zowel de desindustrialisering, verzwakt de koopkracht als vertraagt de decarbonisatie, omdat die duurder wordt en ons afhankelijker maakt van het buitenland. Energie overvloedig en goedkoop maken in de Europese Unie is een absolute voorwaarde om de omstandigheden te herstellen voor een koolstofarme herindustrialisering van België en Europa.
2. Waarom dure energie een directe bedreiging vormt voor Europa
Dure energie is niet langer een conjunctureel ongeluk, maar een structureel gegeven. Het prijsverschil tussen Europees en Amerikaans gas blijft enorm: de Europese TTF schommelde rond 50 €/MWh, terwijl de Amerikaanse Henry Hub rond 10 $/MWh lag, wat neerkomt op een factor 3 tot 5 naargelang de periode. Het Draghi-rapport identificeerde deze structurele energieverduring expliciet als een centrale rem op het concurrentievermogen, de investeringen en de potentiële groei van de Unie.
De stijgende energiekost vertaalt zich in de reële economie in verminderd concurrentievermogen en kleinere marges. Tussen 2021 en 2025 zijn de energieprijzen voor de industrie in de Unie, ondanks de afname na de piek van de crisis, nog met ongeveer 66% gestegen, terwijl de energie-invoerfactuur ongeveer 427 miljard euro bereikte, of bijna 2,5% van het Europese BBP. De invoer belast de handelsbalans en verschuift een aanzienlijke rijkdom naar buitenlandse olie- en gasexporteurs.
Voor gezinnen werkt dure energie als een permanente indirecte belasting. Wanneer die structureel wordt, voedt ze de armoede, verzwakt ze de consumptie en verhoogt ze de sociale spanningen, vooral in gebieden waar auto's en fossiele verwarming op korte termijn moeilijk te vervangen zijn. Voor bedrijven vernietigt ze de zichtbaarheid die nodig is voor zware industriële projecten, waarvan de afschrijving in decennia en niet in kwartalen wordt gemeten.
3. Desindustrialisering: een reeds ver gevorderd en moeilijk te stoppen proces
De industriële erosie van Europa is geen theoretisch risico meer. Het is een statistisch vastgesteld feit. De industrie weegt nu nog slechts 14,3% van het BBP van de EU, terwijl dat in 1990 nog 20% was. Energie-intensieve sectoren hebben sinds 2019 ongeveer 20% van hun productie verloren, een symptoom van een continent waarvan de industriële fundamenten verzwakken.

Bron van de grafiek: Manufacturing, value added (% of GDP) - European Union | Data
Deze terugval treft precies de sectoren die de energietransitie bepalen. Zonder Europees staal zijn er geen lokaal geproduceerde windturbines of netwerken; zonder Europese chemie zijn er geen geavanceerde materialen, geen competitieve batterijen, geen transitiemolecules die in Europa worden vervaardigd. Desindustrialisering is dus niet alleen een kwestie van banen of BBP; ze verzwakt rechtstreeks het vermogen van het continent om op eigen kracht koolstofarm te worden. Het zijn afhankelijkheidsketens die zich nu ver buiten fossiele brandstoffen uitstrekken.
Deze ontwikkeling ondermijnt ook de politieke doelstelling om de industrie terug te brengen naar 20% van het Europese BBP tegen 2035. Zonder structurele daling van de energiekost en zonder stabiel regelgevend kader zal deze doelstelling een retorische horizon blijven in plaats van een geloofwaardige politieke koers.
4. Waarom decarbonisatie overvloedige energie nodig heeft
Een denkfout heeft zich in een deel van het Europese debat ingenesteld: geloven dat de transitie zal slagen door schaarste en energiereductie. In werkelijkheid zijn decarbonisatie en de circulaire economie energie-intensieve processen. Decarbonisatie vereist de elektrificatie van transport, verwarming en een deel van de industrie, de modernisering van netwerken en de bouw van nieuwe productiecapaciteit. Een meer circulaire economie betekent dat energie wordt verbruikt om materialen te recycleren, te verwerken en te herbruiken.
Ongeveer 75% van de Europese broeikasgasemissies komt nog steeds voort uit de jaarlijks verbruikte energie. Dit komt omdat de finale energiemix slechts een beperkt aandeel werkelijk koolstofarme energie omvat, als men hernieuwbare energie en kernenergie samen telt. Onder deze omstandigheden komt het kunstmatig en te snel verhogen van de energieprijs, vooraleer een overvloedig aanbod van koolstofarme energie is uitgebouwd, erop neer dat gezinnen en bedrijven in een inflatoire spiraal worden gedwongen zonder beschikbare alternatieven.
Dure energie remt de decarbonisatie dus af in plaats van ze te versnellen. Ze maakt elektrificatie duurder, dure koolstofarme elektriciteit maakt projecten voor koolstofarme waterstofproductie onmogelijk, verzwakt investeringen in schone industriële sectoren en verhoogt het risico op koolstoflekkage door productieverplaatsing naar landen die minder streng maar energetisch competitiever zijn.
5. De oorzaken van de stijgende energieprijs
a. Geopolitieke schokken en bevoorradingskwetsbaarheden
De prijsspanningen die we vandaag kennen, vinden hun oorsprong eerst en vooral in de geopolitiek. De invasie van Oekraïne, de vermindering van de Russische gasstromen, de spanningen in het Midden-Oosten en de kwetsbaarheid van de zeeroutes hebben eraan herinnerd dat energie nooit een gewone grondstof is: het is een machtsinstrument. De ontwikkeling van vloeibaar aardgas (LNG) heeft flexibiliteit gebracht, maar heeft Europa ook meer blootgesteld aan de volatiliteit van de wereldmarkten, de beschikbare liquefactiecapaciteit en logistieke spanningen bij terminals.
De blokkering van de Straat van Hormuz of de vernietiging van infrastructuur in Qatar zijn geen perifere gebeurtenissen voor Europa: ze bedreigen rechtstreeks de olie- en gasstromen waarvan de Europese economie nog grotendeels afhankelijk is. De Unie heeft zo steeds vaker externe schokken moeten ondergaan met onvoldoende manoeuvreerruimte, omdat ze haar routes, leveranciers en opslagcapaciteit niet tijdig genoeg heeft gediversifieerd.
b. Onderinvestering en taboes rond transitie-energie
Europa heeft tegelijk een steeds vijandiger discours ten opzichte van koolwaterstoffen gevoerd, ook tijdens de overgangsfase waarin ze nochtans onmisbaar blijven. Deze vijandigheid heeft bepaalde investeringen in exploratie, productie, transport en flexibiliteitsinfrastructuur ontmoedigd, terwijl de reële vraag nog niet voldoende was gedaald. Het resultaat is een mismatch tussen de aangekondigde politieke ambities en de fysieke realiteit van het energiesysteem.
Deze tegenstrijdigheid is zichtbaar in de blijvende afhankelijkheid van de EU van olie en gas, die nog steeds het grootste deel van de finale energievoorziening uitmaken, terwijl de elektrificatie van het gebruik onvolledig blijft. Fossiele capaciteit te snel afbouwen zonder over een overvloedig, stuurbaar en competitief alternatief te beschikken, leidt automatisch tot hogere prijzen, meer volatiliteit en een verminderde bevoorradingszekerheid.
Ondertussen heeft de Europese Unie niet ingezet op de eerste elektriciteitsproductiebron die ze had: kernenergie. Vorig jaar betreurde Commissievoorzitter Ursula von der Leyen de strategische fout van de Unie, die het aandeel kernenergie in haar elektriciteitsmix de afgelopen 20 jaar aanzienlijk heeft laten dalen, terwijl er net nood was aan uitbreiding.
In een andere maar even zorgwekkende context: hernieuwbare energie heeft een succesvolle industriële opschaling doorgemaakt, met aanzienlijk gedaalde prijzen per geïnstalleerde eenheid. Toch heeft Europa, dat deze sectoren al meer dan 20 jaar actief ondersteunt, bijna de volledige productieketens voor wind, batterijen en fotovoltaïsche energie laten verdwijnen.
c. Fiscaliteit, toeslagen en systeemkosten
Naast de geopolitieke schokken wordt de uiteindelijke energieprijs in Europa verzwaard door de opeenstapeling van factuurcomponenten: fiscaliteit, toeslagen, financiering van steunmechanismen, netwerkkosten, regelgevende verplichtingen. Een deel van de transitiekost is verschoven naar structurele en verplichte posten op de energiefactuur, wat zwaarder doorweegt op bescheiden gezinnen en op bedrijven, al dan niet blootgesteld aan internationale concurrentie.
Dit fenomeen wordt versterkt door een aanpak die te vaak enkel kijkt naar de technologiekost (LCOE: geactualiseerde energiekost) en niet naar de volledige systeemkost. Intermitterende hernieuwbare energie kan een lage marginale kost hebben, maar vereist aanzienlijke investeringen in netwerken, flexibiliteit, opslag en stuurbare back-up. Een serieus energiebeleid moet daarom redeneren in termen van totale systeemkost, robuustheid en bevoorradingszekerheid, in plaats van deelsignalen.
6. Europese regelgeving die de factuur sterk zou kunnen verhogen
a. ETS II: een prijssignaal dat sociaal potentieel explosief is
De uitbreiding van de koolstofmarkt naar gebouwen en transport via ETS II volgt in theorie een coherente economische logica: de koolstofkost internaliseren in de prijs om gedrag te sturen. Maar een prijssignaal is enkel nuttig als het sociaal houdbaar blijft, dat wil zeggen dat het zich op lange termijn inschrijft, en de opkomst van geloofwaardige alternatieven mogelijk maakt. In gebieden waar fossiele verwarming nog domineert en waar de auto onmisbaar blijft, zal een te snelle stijging van de CO2-prijs zich eerst vertalen in een aanslag op gezinnen en bepaalde kmo's, zonder passende compensatie.
Zonder plafonneringsmechanisme, modulatie of faseringsplan zou ETS II kunnen bijdragen tot structureel zeer sterke stijgingen van brandstof- en verwarmingsprijzen. Dit zou de Unie blootstellen aan een grote politieke en sociale reactie en het draagvlak voor klimaatbeleid ondermijnen. Een klimaattraject zonder sociale aanvaardbaarheid is een traject dat gedoemd is instabiel te blijven.
Ondertussen dreigt een nieuwe versnelling van de quotavermindering binnen ETS I de energieprijs voor de industrie en de elektriciteitscentrales die de elektriciteitsprijs bepalen, nog verder te verhogen. Zoals hierboven vermeld, zijn deze sectoren zeer gevoelig voor internationale concurrentie en lijden ze al onder te hoge energieprijzen.
b. RED III: het risico van dure technologische verplichtingen
De RED III-richtlijn beoogt de uitrol van hernieuwbare energie te versnellen, wat op zich legitiem is. Maar wanneer dit vertaald wordt in erg gedetailleerde inmengings- of uitrolverplichtingen, kan het extra kosten creëren daar waar andere koolstofarme oplossingen efficiënter of beter aangepast zouden zijn aan de nationale context. Zo'n aanpak beperkt de vrijheid van lidstaten om de meest geschikte mix te kiezen op basis van hun eigen middelen, netwerken, industrieel weefsel en energie-erfenis.
Bovendien, als deze verplichtingen vooral leiden tot meer import van technologie die buiten Europa is vervaardigd, met name in China, stijgt de economische factuur zonder dat de soevereiniteit echt vooruitgaat. De transitie zou dan gebeuren met fabrieken elders, subsidies hier en Europese consumenten die de rekening betalen.
c. EPBD IV: de investeringsklif in de bouwsector
De verbetering van de gemiddelde energieprestatie van gebouwen is noodzakelijk, vooral voor woningen die “energieverslindende krotten” zijn. Maar wanneer een Europese norm te uniforme doelstellingen oplegt aan zeer heterogene vastgoedbestanden, kan dit het omgekeerde effect hebben van wat beoogd wordt. In regio's met oud en verspreid gebouwenbestand wordt de financiële last zo groot dat ze het aantal effectief haalbare renovaties beperkt, ten koste van net de meest kwetsbare gezinnen.
Het risico is tweevoudig: enerzijds worden veel eigenaars werken opgelegd die hun financiële draagkracht overstijgen, met het risico dat de toegang tot eigendom voor een deel van de bevolking, vooral jongeren, wordt beperkt; anderzijds worden overheidsbeleidsmaatregelen geblokkeerd die, met meer flexibiliteit, veel meer gezinnen uit energiearmoede zouden kunnen helpen. Een onrealistische norm is geen ambitieuze norm; het is vaak een onuitvoerbare norm.
d. CBAM en regelgevende stapeling: het risico van verlamming
Het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grenzen streeft een verdedigbaar doel na, cruciaal zelfs voor de Unie die een koolstofkost oplegt aan al haar economische activiteiten: koolstoflekken vermijden door invoer te belasten volgens de koolstofintensiteit. Maar als het bovenop andere kostelijke mechanismen komt zonder algemene vereenvoudiging, verhoogt het de administratieve complexiteit, de onzekerheid en de nalevingskosten, vooral voor industriële sectoren die al zwak staan. Bovendien betreft het CBAM slechts ongeveer 25% van de huidige invoer, met mogelijkheden om het vrij gemakkelijk te vermijden voor bepaalde buitenlandse importeurs. Het moet eenvoudiger worden en gelden voor alle invoer.
Ruimer bekeken heeft de EU tientallen teksten, plannen en subdoelstellingen opgestapeld, wat een moeilijk leesbaar, zelfs tegenstrijdig regelgevend woud creëert voor economische actoren en overheden. Dit systeem ontmoedigt langetermijninvesteringen, verlegt middelen naar naleving in plaats van innovatie en maakt van nationale regeringen te vaak eenvoudige uitvoerders van procedures.
7. Maatregelen om onze energiesoevereiniteit en het Europese concurrentievermogen te herstellen
a. Van overvloedige en betaalbare energie een expliciete doelstelling van de Unie maken
De eerste maatregel bestaat erin zwart op wit de doelstelling van overvloedige en betaalbare energie centraal te stellen in het Europese beleid, op gelijke voet met koolstofneutraliteit en de interne markt. Zonder een beheerste energiekost is er geen robuuste industriële basis, geen houdbare koopkracht en geen aanvaarde transitie mogelijk.
Elk nieuw Europees pakket zou moeten worden geëvalueerd aan de hand van drie eenvoudige criteria: bevoorradingszekerheid, kost/concurrentievermogen en klimaatimpact. Dit vereist dat het Europees Semester een echte monitoring van energieconcurrentievermogen integreert: industriële prijzen van gas en elektriciteit ten opzichte van de Verenigde Staten en Azië, aandeel geïmporteerde energie, gewicht van taksen en toeslagen in de facturen. Wanneer een te groot verschil ontstaat, bijvoorbeeld wanneer de Europese prijzen meermaals hoger blijven dan de Amerikaanse en Chinese prijzen, zou een correctiemechanisme in werking moeten treden: herziening van bepaalde normen, gerichte fiscale aanpassingen, herkalibrering van steunmaatregelen. Betaalbare energie moet opnieuw een legitieme politieke doelstelling worden, en geen blinde vlek van de Europese strategie.
b. De Europese energie- en mineralenbronnen volledig benutten binnen een streng kader
Soevereiniteit vereist een beter gebruik van de beschikbare middelen op het Europese grondgebied. Dit betekent dat het potentieel van schaliegas, land- en offshore-koolwaterstoffen, en kritieke mineralen die nodig zijn voor de transitie, zonder taboe herbekeken moet worden. Europa kan niet soevereiniteit opeisen en tegelijk uit principe elke exploratie- of exploitatiecapaciteit op eigen bodem weigeren.
Strikt omkaderde pilootprojecten zouden kunnen worden toegestaan om het debat over schaliegas of bepaalde offshoremiddelen te objectiveren, met hoge vereisten inzake waterkwaliteit, fugitieve methaanemissies, herstel van sites en publieke transparantie. De Amerikaanse ervaring toont dat exploitatie gecombineerd met robuuste regulering een groot effect kan hebben op de bevoorradingszekerheid en de gasprijs.
Parallel daaraan moet een Europees mijnbeleid worden aangenomen. De metalen en zeldzame aardmetalen die nodig zijn voor batterijen, netwerken, windturbines, elektrolysers en digitale technologie zijn strategische middelen. Enkele belangrijke projecten versnellen binnen een streng milieukader zou de afhankelijkheid van externe toeleveringsketens verminderen, industriële activiteiten opnieuw op het continent verankeren en de geopolitieke geloofwaardigheid van Europa vergroten.
c. De bronnen, routes en technologieën voor bevoorrading massaal diversifiëren
Diversificatie moet opnieuw het kernprincipe worden van het Europese energiebeleid. Het diversifiëren van leveranciers, routes en technologieën vermindert de kwetsbaarheid voor een enkele schok en vergroot de veerkracht van het systeem. De ervaring met Russische gasstromen en de Straat van Hormuz toont dat geen enkele overmatige afhankelijkheid neutraal is. Op het vlak van gas vereist dit langetermijncontracten met meerdere leveranciers, versterkte LNG-terminals, robuustere gas- en elektriciteitsinterconnecties, en een ambitieuzer opslagbeleid. LNG vertegenwoordigt nu een centraal deel van de Europese invoer en moet worden beschouwd als een pijler van flexibiliteit en zekerheid tijdens de transitiefase. Op het vlak van elektriciteit vereist diversificatie het slim combineren van kernenergie, waterkracht, hernieuwbare energie, gerichte opslag en flexibele back-upmiddelen, in plaats van deze opties kunstmatig tegen elkaar op te zetten. Een beleid gebaseerd op de volledige systeemkost is robuuster dan een dogmatische benadering die op één enkele technologiefamilie steunt.
d. ETS, RED III, EPB IV en CBAM grondig hervormen
We moeten doeltreffende klimaatinstrumenten behouden, maar ze houdbaar, leesbaar en voorspelbaar maken. Voor de koolstofmarkt betekent dit prijskoridors met plafonds per periode, om prijspieken te vermijden die het concurrentievermogen ondermijnen en gezinnen sociaal destabiliseren. Er moeten modulatie- of opschortingsclausules worden voorzien in geval van een grote crisis of bijzonder agressieve klimaatdumping.
Voor RED III moet de prioriteit erin bestaan af te stappen van een logica van rigide technologische verplichtingen. De lidstaten moeten opnieuw de vrijheid krijgen om hun energiemix te kiezen op basis van resultaatdoelstellingen inzake emissies en bevoorradingszekerheid, en niet op basis van gedetailleerde voorschriften over de middelen. Deze flexibiliteit is onmisbaar om rekening te houden met de verschillen in middelen, netwerken en industrieel weefsel tussen lidstaten.
Voor EPB IV is het beter om te streven naar realistische en gefaseerde trajecten: voorrang geven aan de slechtste energieverslinders, gemiddelde verbeteringsdoelstellingen vastleggen en hybride oplossingen mogelijk maken die aangepast zijn aan lokale realiteiten. Het CBAM, ten slotte, moet worden vereenvoudigd zodat het geen bijkomende administratieve laag wordt die industriële actoren verstikt zonder de Europese soevereiniteit echt te versterken.
e. Industriële soevereiniteit en energieconcurrentievermogen centraal stellen in de transitie
De energietransitie zal niet slagen tegen de industrie, maar met haar. De doelstelling om terug te komen op minstens 20% industrie in het Europese bbp vereist dat strategische sectoren duurzame toegang krijgen tot competitieve, voorspelbare en koolstofarme energie. Dit betreft in de eerste plaats de staalindustrie, de chemie, de metallurgie, de materialen, de batterijen, de elektrische componenten en kritieke digitale technologieën. Gerichte mechanismen zijn nodig om de energie van deze sectoren te beveiligen: langetermijncontracten, vermindering van bepaalde toeslagen, gerichte steun voor koolstofarme investeringen, en betere beheersing van netwerkkosten voor energie-intensieve sites. Parallel moeten Europese financiële instrumenten meer worden gericht op cleantechproductie in Europa, om de kostenkloof met Aziatische concurrenten te verkleinen en echte Europese industriële kampioenen te doen ontstaan.
De overheid moet ook systematischer het criterium van de kost per vermeden ton CO2 hanteren bij de toewijzing van steun (vermijdingskost). Te veel middelen worden nog verspreid over maatregelen met een marginaal klimaatrendement, terwijl efficiëntere industriële of elektrische hefbomen ondermobiliseerd blijven.
f. Een echte koolstofarme technologieneutraliteit aannemen, met een centrale rol voor kernenergie, die onmisbaar is in Belgi\u00eb
Technologieneutraliteit kan niet selectief zijn. Elke veilige, flexibele of competitieve koolstofarme technologie moet op gelijke voet kunnen bijdragen aan de Europese decarbonisatie. Dit betekent in het bijzonder dat kernenergie volledig moet worden erkend als een duurzame energiebron, en niet als een eenvoudige overgangsenergie. De terugval van kernenergie in de Europese elektriciteitsmix werd op het hoogste niveau van de Commissie erkend als een strategische fout. Daaruit moeten conclusies worden getrokken: de verlenging van bestaande reactoren toelaten waar de veiligheid dit mogelijk maakt, investeringen in nieuwe capaciteit faciliteren, met inbegrip van kleine modulaire reactoren, en een niet-discriminerend financieel en regelgevend kader garanderen.
In deze logica moeten technologische vergelijkingen worden gemaakt op basis van de volledige systeemkost, en niet alleen de zichtbare productiekost. Netwerken, flexibiliteit, opslag, weerbaarheid tegen crises en bevoorradingszekerheid moeten volledig worden geïntegreerd in de beoordeling van energiekeuzes.
g. Een groot Europees pakket ‘Energiesoevereiniteit & industrie’ lanceren
De Unie heeft een geïntegreerde strategie nodig, en geen opeenstapeling van deeloplossingen. Een groot Europees pakket ‘Energiesoevereiniteit & industrie’ zou de hervorming van de elektriciteitsmarkt, de gasstrategie, het mijnbeleid, de steun aan Europees geproduceerde cleantech en de bescherming van kritieke infrastructuur op elkaar kunnen afstemmen.
Voor elektriciteit is het doel de overmatige volatiliteit te verminderen, grote industriële investeerders zekerheid te bieden en consumenten beter te beschermen tegen gasschokken. Voor gas moet de rol van LNG en overgangsgas in een strategie voor bevoorradingszekerheid op middellange termijn worden verduidelijkt.
Voor grondstoffen moet de Unie kritieke waardeketens identificeren, enkele structurerende projecten op haar grondgebied steunen en strategische partnerschappen aangaan met derde landen voor grondstoffen die niet in Europa kunnen worden geproduceerd. Dit pakket zou ook een sterke dimensie van fysieke en cyberveiligheid van energie-infrastructuur moeten omvatten, in een context waarin energie steeds vaker wordt ingezet als machtsmiddel in internationale krachtsverhoudingen.
h. Het decarbonisatietraject aanpassen om neutraliteit in 2050, groei en solidariteit te verenigen
De doelstelling van koolstofneutraliteit in 2050 moet behouden blijven. De tussentijdse mijlpalen moeten daarentegen kunnen worden aangepast als hun gelijktijdige uitvoering onevenredige kosten veroorzaakt voor gezinnen en bedrijven. Een goed klimaatbeleid is een beleid dat op lange termijn houdbaar blijft; het moet dus economisch leefbaar en sociaal aanvaardbaar zijn. Koolstofneutraliteit wordt niet bereikt door energie schaars en duur te maken, maar door het aanbod van koolstofarme energie te vergroten, de energie-efficiëntie te verbeteren en elektrificatie toe te passen waar dit economisch en technisch zinvol is. Elke strategie die vooral zou inzetten op een gedwongen verlaging van het verbruik, zou de Unie blootstellen aan recessie, sociale woede en een blijvende politieke afwijzing.
De sociale dimensie moet ook volledig worden geïntegreerd. Energie behoort tot de belangrijkste kostenposten van energiearmoede voor Europese gezinnen, en prijsstijgingen treffen in de eerste plaats degenen met de kleinste aanpassingscapaciteit.
Gerichte instrumenten (tijdelijke steun, renovatiesteun voor de meest kwetsbaren, betaalbare mobiliteitsoplossingen) zijn onmisbaar om het democratisch draagvlak voor de transitie te behouden.
i. Terugkeren naar een pragmatisme gebaseerd op ingenieurs, ondernemers en staten
Uiteindelijk zal succes afhangen van een nieuwe methode. Europa moet afstappen van de logica “één probleem, één nieuw plan”, die een uiterst complex, wisselvallig en vaak tegenstrijdig kader heeft opgeleverd. Een geloofwaardige strategie moet zich richten op enkele duidelijke resultaatdoelstellingen en meer vrijheid laten over de middelen om die te bereiken. Dit vereist een sterke vereenvoudiging van de teksten, het samenvoegen van overlappende regelingen, het schrappen van verplichtingen met weinig toegevoegde waarde en het inkorten van vergunningsprocedures voor strategische projecten. Nationale ministers moeten in staat blijven om de instrumenten aan te passen aan hun energetische, industriële en territoriale realiteit, en niet louter uitvoerders van regelgevende omzetting worden.
8. Conclusie: de keuze voor kracht
Europa bevindt zich op een keerpunt. Ofwel blijft het op een traject waarbij de energiekost duurzaam hoger wordt dan bij zijn grote concurrenten, met het risico op versnelde deïndustrialisatie, afhankelijkheid en verarming; ofwel kiest het ervoor terug te keren naar een machtsbeleid gebaseerd op energie-overvloed, industriële soevereiniteit en pragmatische decarbonisatie.
Energie overvloedig, betaalbaar en koolstofarm maken is niet tegenstrijdig; het is integendeel precies de voorwaarde voor een geloofwaardige elektrificatie, een succesvolle Europese reïndustrialisatie en een herwonnen strategische autonomie. Europa heeft geen schaarse en onbetaalbare energie nodig; het heeft veilige, competitieve energie nodig die verenigbaar is met het klimaat, om een vrij, productief en invloedrijk continent te blijven in de wereld van de 21e eeuw.
Deze terugkeer naar pragmatisme moet worden aangenomen als een keuze voor kracht. Het is niet de bureaucratie, noch technologische dogma’s, die Europa welvarender, soevereiner en groener zullen maken; het zijn keuzes gebaseerd op de fysieke werkelijkheid, industriële intelligentie en innovatievermogen.
