De budgettaire situatie van de FW-B vereist verantwoorde maatregelen om het recht op kwaliteitsonderwijs duurzaam te waarborgen. Beslissingen uitstellen zou toekomstige generaties opzadelen met veel zwaardere besparingen.
De overgang van 20 naar 22 uur voor leerkrachten van de hogere graad van het secundair onderwijs en de hervorming van de mechanismen voor kosteloosheid passen in die geest, net zoals de invoering van het CDIE en de verlichting van de lesopdracht voor leerkrachten aan het begin en het einde van hun loopbaan.
1. Herinnering aan de budgettaire context
De Federatie Wallonië-Brussel maakt een moeilijke financiële periode door. Vandaag wordt één op de vijf leerkrachtenlonen op krediet betaald. Elk jaar gaat bijna 350 miljoen € enkel al naar de terugbetaling van de rente op de schuld: geld dat niet langer in het onderwijs kan worden geïnvesteerd. Als er niets zou gebeuren, zou deze last tegen 2029 oplopen tot 650 miljoen €. Om een idee te geven: dat komt overeen met de aanwerving van 12.000 leerkrachten!
Gezien deze vaststelling is de status quo niet langer mogelijk. We kunnen “het stof niet langer onder het tapijt vegen”.
De Regering heeft er dus voor gekozen om te handelen om de essentiële opdrachten van de Federatie te vrijwaren, haar leefbaarheid te garanderen en tegelijk de kwaliteit van haar opdrachten te behouden.
De onafhankelijke experts hebben dit bevestigd in hun verslag: de uitgaven stijgen sneller dan de inkomsten, structurele hervormingen zijn onontbeerlijk en beslissingen uitstellen betekent toekomstige generaties opzadelen met veel zwaardere besparingen.
Dit conclaaf was dus geen oefening in soberheid, maar in verantwoordelijkheid ten aanzien van de komende generaties. Niemand bespaart voor het plezier.
2. De lesopdracht in de hogere graad van het secundair onderwijs: een harmonisering met de lagere graad
De vakbonden spreken van een “stijging van 10 % van de werktijd” door de overgang van 20 naar 22 lestijden. Dat is onjuist.
De maatregel wijzigt de totale werktijd niet, maar herverdeelt het deel dat aan lesgeven wordt besteed. Concreet stijgt de lesopdracht van 16,6 naar 18,3 uur per week (lestijden van 50 minuten voor de klas).
Het is een gematigde aanpassing die de Federatie in lijn brengt met het internationale gemiddelde. Volgens OESO- en TALIS-gegevens bedraagt het gemiddelde in het hoger secundair 23,3 lestijden per week, tegenover 20 in de FWB (voortaan 22).
Bovendien bedraagt de lesopdracht 22 lestijden in het lager secundair onderwijs (1ste-2de-3de secundair), 24 lestijden in het lager onderwijs en 26 lestijden in het kleuteronderwijs.
En vooral: er is geen enkele andere stijging van de lesopdracht gepland, ongeacht het onderwijsniveau.
Bovendien is het cijfer dat in bepaalde media wordt genoemd (1500 VTE) fout: de hervorming zou geen enkel ontslag met zich meebrengen, aangezien ze past in een context van sterk lerarentekort, vooral in het hoger secundair onderwijs.
Elk jaar komen er op dit niveau 2170 VTE aan vacatures vrij door natuurlijke uitstroom (DPPR, pensionering) en het lerarentekort. We zullen dus leerkrachten nodig hebben. Het is bovendien, zoals elk jaar, gebruikelijk dat er verschuivingen of herplaatsingen tussen niveaus en/of scholen plaatsvinden.
Ten slotte zullen er in 2026 weinig of geen afgestudeerden zijn door de verlenging van de initiële lerarenopleiding van 3 naar 4 jaar. We zullen dus leerkrachten nodig hebben.
- Twee lestijden minder voor de klas in het eerste jaar van lesgeven, om de instap in het beroep te vergemakkelijken;
- Twee lestijden minder vanaf 60 jaar, om de overdracht van ervaring te bevorderen.
Tegelijk zal het Contract van Onbepaalde Duur “Leerkracht” (CDIE), vanaf 2027, jobstabiliteit en een lesopdracht van 100 % vanaf het begin van de loopbaan garanderen, want we weten dat één op de drie leerkrachten het beroep verlaat binnen de eerste vijf jaar, vaak wegens instabiliteit en het gebrek aan voorspelbaarheid in het uurrooster.
3. Geen afschaffing van de kosteloosheid
Sinds 2019-2020 wordt een specifieke dotatie of subsidie toegekend om, naast de werkingsdotaties en -subsidies, schoolbenodigdheden gratis ter beschikking te stellen van leerlingen van de 1ste kleuterklas tot het 3de leerjaar lager onderwijs. Deze regeling wordt nu afgeschaft omdat ze administratief te zwaar is.
Vanaf het schooljaar 2026 zal de kosteloosheid van schoolbenodigdheden echter worden uitgebreid tot het 6de leerjaar lager onderwijs in de Federatie Wallonië-Brussel. Het project wil de regeling immers uitbreiden tot alle leerlingen van het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs.
Om de scholen in staat te stellen hun verplichtingen inzake kosteloosheid van schoolbenodigdheden na te komen, zal 11 miljoen € extra (afkomstig van het einde van de specifieke regeling voor kosteloosheid tot het 3de leerjaar) worden geïnjecteerd in de werkingsmiddelen van scholen voor basisonderwijs, die, ter herinnering, vorig jaar al werden verhoogd en geleidelijk zullen stijgen tot 2034, en die momenteel meer dan 330 miljoen € bedragen.
Door een deel van de specifieke financiering voor de regeling rond kosteloosheid van schoolbenodigdheden over te hevelen, versterken we de capaciteit van de scholen om de door het Schoolpact voorgeschreven opdrachten te vervullen, en dit in het algemeen, voor alle leerlingen van het basisonderwijs.
Bovendien zal de toegang tot de werkingsdotaties en -subsidies voortaan afhankelijk zijn van het feit dat de inrichtende machten schoolbenodigdheden gratis ter beschikking stellen van de leerlingen.
Deze nieuwe bepalingen passen in het streven naar administratieve vereenvoudiging voor directieteams op het terrein en naar de duurzaamheid van de overheidsfinanciën, met behoud van de essentiële opdrachten van de Federatie Wallonië-Brussel.
Daartoe zullen scholen volledige autonomie hebben om te bepalen hoe de schoolbenodigdheden die al hun leerlingen nodig hebben, ter beschikking worden gesteld. Er is dus geen sprake van leerlingen te selecteren op basis van hun inkomen of om wie dan ook te stigmatiseren.
4. Gratis maaltijden
We behouden dit beleid. De middelen zullen namelijk deels opnieuw worden geïnjecteerd in de klassieke financiering van scholen.
Daartoe wordt een deel van het budget dat bestemd is voor de subsidiëring van volledige, gratis, gezonde en duurzame maaltijden opnieuw geïnjecteerd als werkingsmiddelen voor de gedifferentieerde omkadering van het gewoon basisonderwijs en als aanvullende werkingsdotatie of -subsidie voor het gespecialiseerd basisonderwijs.
De nieuwe regeling maakt een einde aan de huidige projectoproep, waarvan de administratieve complexiteit niet meer aangetoond hoefde te worden, zowel voor de Administratie als voor de directieteams op het terrein.
Het zal dus aan de scholen die van deze regelingen genieten zelf zijn om te beslissen hoe die middelen het best worden ingezet, met inbegrip van de eventuele financiering van gratis of goedkopere maaltijden.
De schoolvestigingen die geselecteerd zijn voor het schooljaar 2025-2026 in het kader van de laatste projectoproep behouden natuurlijk hun huidige subsidies.