De Regering van de Federatie Wallonië-Brussel heeft, op voorstel van minister van Onderwijs Valérie Glatigny, een voorontwerp van decreet goedgekeurd dat het neutraliteitsbeginsel in het onderwijs verduidelijkt en vanaf september van kracht wordt. Dit fundamentele principe waarborgt elke leerling de mogelijkheid om te leren in een schoolkader dat beschermd is tegen elke religieuze of politieke druk.
De tekst legt onder meer de neutraliteit qua uiterlijk vast door het dragen van zichtbare levensbeschouwelijke tekens te verbieden voor het volledige personeel in de instellingen waar neutraliteit geldt. Deze regel betreft leerkrachten, directies, opvoeders, administratief, paramedisch of technisch personeel. Ze geldt ook voor internaten, PMS-centra (psycho-medisch-sociale centra) en openluchtcentra die onder deze scholen vallen. Ze is van toepassing op het officieel georganiseerd en gesubsidieerd onderwijs, evenals op het vrij niet-confessioneel onderwijs dat gekozen heeft om het neutraliteitsbeginsel te onderschrijven.
Het doel is een gemeenschappelijke leerruimte te bewaren waarin geen enkele religieuze, filosofische of politieke overtuiging aan de leerlingen wordt opgelegd.
Het verbod betreft alle zichtbare levensbeschouwelijke tekens, of het nu gaat om kledij of accessoires die een religieuze, ideologische, filosofische of politieke overtuiging uitdrukken. Door alle tekens zonder onderscheid te viseren, wil het decreet een volledige neutraliteit qua uiterlijk waarborgen. Deze aanpak berust op het principe dat leden van het schoolpersoneel de openbare instelling vertegenwoordigen en daarom neutraal moeten zijn en overkomen. Er is echter een uitzondering voorzien voor leerkrachten godsdienst en zedenleer, enkel binnen het kader van de lessen die zij geven. Deze uitzondering vervalt zodra zij een andere functie uitoefenen of een ander vak onderwijzen in de instelling. Ze past in het respect voor de vrijheid van eredienst en in de lijn van de rechtspraak van de Raad van State.
Wat de leerlingen betreft, zal een inventarisatie worden opgemaakt van de toelatingen en verboden zoals bepaald in de schoolreglementen.
Naast de kwestie van de levensbeschouwelijke tekens moderniseert het decreet ook de manier waarop kennis wordt overgedragen. Het schrapt een formulering uit 1994 die voorschreef om te onderwijzen “in bewoordingen die geen enkele leerling kunnen kwetsen”. Deze bepaling heeft er soms toe geleid dat leerkrachten zichzelf censureerden, uit vrees bepaalde gevoeligheden te kwetsen. Volgens de Barometer van het respect verklaart 62% van de leerkrachten zichzelf de afgelopen vijf jaar gecensureerd te hebben. De hervorming bevestigt dus duidelijk het recht en de plicht om alle kennis objectief te onderwijzen, met respect voor de officiële leerplannen.
Situaties waarin kennis wordt betwist, kunnen veel vakken raken: wetenschappen, geschiedenis, filosofie, talen of kunst. Sommige leerkrachten aarzelen nu om de evolutietheorie van Darwin te behandelen, bepaalde kunstwerken te tonen, een voortplantingsorgaan te laten zien of de Sjoa te bespreken, uit vrees voor druk vanwege leerlingen, ouders of soms collega's.
Om de uitvoering van de hervorming te ondersteunen, zal een ondersteuningsplan worden voorgesteld aan de onderwijsteams. Het omvat opleidingen voor directies en leerkrachten, de terbeschikkingstelling van pedagogische en bemiddelingstools, evenals een omzendbrief die de bestaande middelen en het wettelijk kader in herinnering brengt. De Algemene Inspectiedienst zal er ook op toezien dat het neutraliteitsbeginsel in de scholen wordt nageleefd en zal om de twee jaar een verslag indienen.
Neutraliteit tast de gewetensvrijheid niet aan: ze wil die net beschermen. Het gaat uiteraard niet om het verbieden van geloven of niet-geloven, maar om te waarborgen dat de school een plaats van emancipatie en kennis blijft, waar iedereen sereen kan leren en onderwijzen, gevrijwaard van identitaire druk. Neutraliteit blijft zo de garantie voor ieders vrijheid.