Vrijwaringsclausules, die vaak worden gebruikt in vrijhandelsakkoorden, zijn noodinstrumenten van de internationale handel. Ze zijn erop gericht te voorkomen dat een plotse stijging van de invoer van een product ernstige schade toebrengt aan een sector, zoals een prijsdaling. In dat geval kan de invoer tijdelijk worden beperkt. Deze maatregelen moeten proportioneel zijn en worden opgeheven zodra het risico verdwijnt.
De vrijwaringsclausules in het akkoord werden door meerdere lidstaten als "onvoldoende" beoordeeld. Daarom heeft de Europese Commissie een verordening voorgesteld die specifieke landbouwvrijwaringsclausules invoert, definitief aangenomen op 10 februari 2026. Deze clausules betreffen onder meer rundvlees, gevogelte, rijst, honing, eieren, suiker en ethanol.
Het Europees Parlement en de Raad hebben onderhandeld om de drempels voor het activeren van deze clausules te verlagen. Het uiteindelijke voorstel bepaalt dat de Europese Commissie een onderzoek opent als de invoer van gevoelige producten met 5% stijgt (tegenover 10% in het oorspronkelijke voorstel), gemiddeld over drie jaar, of als de prijzen met meer dan 5% dalen ten opzichte van het gemiddelde, in plaats van de hogere drempels die initieel werden overwogen.
Twijfels over de daadwerkelijke toepasbaarheid
« De landbouwvrijwaringsclausules hebben het verdienste te bestaan, maar de geschiedenis heeft ons geleerd dat ze zeer moeilijk te activeren zijn en dus weinig doeltreffend. Bovendien maakt de verordening die deze clausules instelt geen integraal deel uit van het akkoord zelf en bindt ze de Mercosur-landen op geen enkele manier. Deze laatste kunnen trouwens gebruikmaken van het herbalanceringsmechanisme en compensaties verkrijgen als ze van mening zijn dat hun exportcapaciteit door deze maatregelen werd belemmerd... », benadrukte Benoît Cassart, lid van de commissies AGRI en INTA.
Positief, maar niet voldoende
« Bovendien vormen de vrijwaringsclausules in geen geval spiegelclausules. Het tekort aan reciprociteit in de productiemethoden wordt dus absoluut niet opgelost », besloot Benoît Cassart, Europees parlementslid.